Uit de praktijk
De kleinste kistjes zijn het zwaarst om te dragen
Er zijn uitvaarten die je nooit meer vergeet. Dit is het verhaal van een meisje dat ik in 1994 mocht begeleiden.
Er zijn uitvaarten die je na verloop van tijd vergeet. Niet omdat ze niet bijzonder waren, maar omdat er in de loop van de jaren zoveel mensen, families en verhalen voorbij zijn gekomen.
En er zijn uitvaarten die je nooit meer vergeet.
Dit is het verhaal van een meisje dat ik in 1994 mocht begeleiden. Een meisje dat nauwelijks de kans heeft gekregen om aan haar leven te beginnen, maar dat ruim dertig jaar later nog altijd een plekje in mijn herinneringen heeft.
Ik was destijds een jonge uitvaartverzorger van een jaar of twintig. Nog maar net begonnen in een vak waarvan ik dacht dat ik inmiddels wel een beetje begreep wat verdriet betekende.
Wat wist ik eigenlijk nog weinig.
Bijna negen maanden wachten op geluk
Ze hadden er zo naar uitgekeken.
De babykamer was klaar. Het ledikantje stond op zijn plaats, de kleertjes lagen gewassen en netjes opgevouwen in de kast. Er stond een kinderwagen klaar en op het plankje boven het bedje zat een kleine knuffelbeer.
Nog een paar weken en dan zouden ze met z’n drieën zijn.
Bijna negen maanden hadden ze geleefd tussen verwachting, dromen en nieuwsgierigheid. Ze hadden namen bedacht, plannen gemaakt en zich afgevraagd op wie hun dochtertje zou lijken.
De vader legde iedere avond zijn hand op de buik van zijn vrouw. Soms kreeg hij een schopje terug.
Dat was hun kleine ritueel geworden.
Tot die ene dag.
Het bleef stil.
Geen beweging meer. Geen schopje tegen haar ribben. Geen reactie wanneer ze voorzichtig over haar buik wreef.
In eerste instantie probeerden ze zichzelf gerust te stellen. Misschien lag het kindje anders. Misschien sliep ze.
Maar ergens diep vanbinnen voelde moeder dat er iets niet klopte.
In het ziekenhuis kwam het bericht dat geen enkele ouder ooit zou mogen horen.
Er was geen hartslag meer.
Hun dochtertje was overleden.
Nog voordat ze haar eerste ademhaling had kunnen nemen.
Een telefoontje dat ik nooit vergat
Ik herinner me dat ik werd gevraagd om de uitvaart te verzorgen.
Het was 1994.
Een andere tijd. Niet alleen omdat we nog geen mobiele telefoons, digitale rouwkaarten of herinneringspagina’s hadden, maar vooral omdat er heel anders werd omgegaan met het overlijden van een baby.
Er werd minder gesproken over verdriet. Minder aandacht besteed aan het maken van herinneringen.
Vaak was de gedachte dat ouders het verlies zo snel mogelijk achter zich moesten laten.
Alsof je een kind dat je negen maanden hebt gedragen zomaar achter je kunt laten.
Ik kwam bij de ouders thuis.
Een jong stel. Nauwelijks ouder dan ikzelf.
Op tafel stond een kop koffie die koud was geworden. De vader zat naast zijn vrouw. Hij hield haar hand vast, maar zei bijna niets.
In de hoek van de kamer stonden nog wat cadeautjes die ze hadden gekregen.
Een paar babysokjes.
Een rammelaar.
Een kaartje met de woorden: Nog even en dan ben je er!
Ik wist niet goed waar ik moest kijken.
En voor het eerst begreep ik dat je als uitvaartverzorger niet altijd iets hoeft te zeggen.
Soms is aanwezig zijn het enige wat je kunt doen.
Hoe klein kan een uitvaartkist zijn?
We spraken over de begrafenis.
Het zou een klein afscheid worden op de Noorderbegraafplaats. Alleen de ouders, grootouders en een paar naaste familieleden.
Geen grote plechtigheid.
Geen lange toespraken.
Geen volle aula.
Gewoon een klein gezelschap dat afscheid moest nemen van iemand die nog niet eens de kans had gekregen om zichzelf aan de wereld voor te stellen.
Ik herinner me het moment waarop we het over het kistje hadden.
De vader vroeg voorzichtig hoe groot zo’n kistje eigenlijk was.
Ik probeerde het uit te leggen.
Hij keek me aan en zei:
“Maar ze is toch zo klein. Daar hoeft toch bijna niets in?”
Het was een eenvoudige vraag.
Maar ik voelde hoe verschrikkelijk groot het verdriet achter die woorden was.
Want natuurlijk had hij gelijk.
Er hoefde bijna niets in.
Alleen zijn dochtertje.
En alle dromen die ze met haar hadden gehad.
Een afscheid op de Noorderbegraafplaats
De dag van de begrafenis was stil.
Het was zo’n dag waarop de wereld gewoon doorgaat, terwijl voor een paar mensen de wereld volledig is stilgevallen.
Er reden auto’s voorbij. Mensen gingen naar hun werk. Er werd ergens gelachen.
Maar voor deze ouders bestond er die ochtend maar één ding.
Hun dochtertje moest worden begraven.
Ik herinner me het kleine witte kistje.
Niet groter dan een flinke schoenendoos, maar met een betekenis die met geen enkele grote uitvaartkist te vergelijken was.
De moeder had een klein knuffeltje uitgezocht om bij haar dochtertje te leggen.
De vader had een brief geschreven.
Wat daarin stond, heb ik nooit gevraagd.
Sommige woorden zijn niet voor anderen bedoeld.
Bij het graf stonden we met een handjevol mensen.
De grootouders huilden zachtjes. De moeder stond dicht tegen haar man aan. Hij hield haar vast, alsof hij bang was dat hij haar ook nog zou verliezen.
Er werden een paar woorden gesproken.
En toen kwam het moment dat het kistje naar het graf moest.
Ik weet nog dat ik het wilde dragen.
Het woog bijna niets.
En toch voelde het zwaarder dan welke kist ik daarvoor ook had gedragen.
Niet door het gewicht.
Maar door het besef dat je een kind naar haar laatste rustplaats brengt, terwijl haar leven nog had moeten beginnen.
De vader vroeg of hij het laatste stukje zelf mocht doen.
Natuurlijk mocht dat.
Hij nam het kistje voorzichtig over.
Met twee handen.
Zoals een vader zijn pasgeboren dochtertje zou vasthouden.
Heel voorzichtig.
Alsof ze nog wakker kon worden.
En daar, bij dat kleine graf, zag ik een jonge vader voor het eerst en voor het laatst zijn dochtertje dragen.
Ik ben dat beeld nooit meer kwijtgeraakt.
Het leven dat er nooit kwam
Soms denk ik nog weleens aan haar.
Niet dagelijks. Ook niet iedere week.
Maar op onverwachte momenten.
Wanneer ik een jong gezin zie wandelen. Wanneer ik een vader zijn dochter zie optillen. Of wanneer ik op een begraafplaats langs een klein kindergrafje loop.
Dan denk ik terug aan 1994.
Aan dat meisje.
En aan haar ouders.
Als ze had mogen leven, was ze nu ruim dertig jaar geweest.
Misschien had ze gestudeerd.
Misschien was ze getrouwd.
Misschien had ze inmiddels zelf kinderen gehad.
Misschien was ze een eigenwijze vrouw geworden, met een grote mond en een klein hartje.
Misschien had ze haar vader iedere zondag gebeld.
Of haar moeder gevraagd om op de kleinkinderen te passen.
Allemaal gewone dingen.
Dingen die voor de meeste mensen vanzelfsprekend lijken.
Maar die voor haar nooit werkelijkheid zijn geworden.
En voor haar ouders ook niet.
Want zij verloren niet alleen hun dochtertje.
Ze verloren ook haar eerste lachje, haar eerste stapjes, haar eerste schooldag, haar achttiende verjaardag en alle andere momenten die nog hadden moeten komen.
Ze moesten afscheid nemen van een heel leven dat alleen nog maar in hun dromen had bestaan.
Ook ik ben ouder geworden
Wat me tegenwoordig misschien nog wel het meest raakt, is het besef hoeveel tijd er inmiddels verstreken is.
Ik was toen een jaar of twintig.
Een jonge uitvaartverzorger die nog aan het begin van zijn loopbaan stond.
Sindsdien heb ik ontzettend veel uitvaarten mogen verzorgen.
Van mensen die bijna honderd jaar oud werden tot mensen die veel te vroeg overleden.
Van grote plechtigheden met honderden belangstellenden tot afscheidsmomenten waarbij slechts één persoon aanwezig was.
Ik heb bijzondere verhalen gehoord, ontroerende momenten meegemaakt en soms ook ontzettend gelachen met families.
Want ook dat hoort bij mijn vak.
Maar ergens tussen al die duizenden herinneringen zit nog altijd dat ene kleine witte kistje uit 1994.
Dat zegt misschien wel alles.
Ik ben inmiddels zelf ruim dertig jaar ouder geworden.
Dat meisje zou inmiddels ouder zijn geweest dan ik toen was.
En toch blijft zij in mijn herinnering altijd dat kleine kindje.
Een kindje zonder verleden, maar met een toekomst die er nooit is gekomen.
Gelukkig zijn de tijden veranderd
In de ruim dertig jaar die volgden, is er gelukkig veel veranderd in de manier waarop we omgaan met het overlijden van een baby.
Er is tegenwoordig meer aandacht voor het maken van herinneringen.
Ouders krijgen vaker de gelegenheid om hun kindje vast te houden, te verzorgen, aan te kleden en foto’s te maken.
Er kunnen handafdrukjes en voetafdrukjes worden gemaakt.
Broertjes, zusjes en grootouders kunnen op hun eigen manier afscheid nemen.
En bovenal wordt er steeds meer erkend dat het verdriet om een kindje niet wordt bepaald door de tijd die het heeft geleefd.
Of een kind nu negen maanden in de buik heeft gezeten, enkele uren heeft geleefd of al volwassen was geworden:
Voor ouders blijft het hun kind.
Daar verandert de dood niets aan.
En daar verandert de tijd ook niets aan.
De kleinste kistjes zijn het zwaarst
Er bestaat een Engelse uitspraak:
“The smallest coffins are the heaviest to carry.”
De kleinste kistjes zijn het zwaarst om te dragen.
Ik weet niet wie deze woorden ooit als eerste heeft uitgesproken.
Maar ik weet wel dat ze waar zijn.
Een uitvaartkist van een volwassen man kan met zes dragers behoorlijk zwaar zijn.
Een klein babykistje kun je vaak met twee handen optillen.
Maar het verdriet dat erin besloten ligt, is niet te wegen.
Dat draag je niet met je armen.
Dat draag je met je hart.
En soms blijft een heel klein stukje van dat verdriet ook bij de uitvaartverzorger achter.
Zoals bij mij.
Sinds 1994.
Ik herinner me nog altijd de namen van haar ouders.
En ik herinner me haar naam.
Die schrijf ik hier bewust niet op.
Omdat dit verhaal niet alleen over haar gaat, maar over alle kindjes die veel te vroeg zijn overleden. Over alle ouders die een lege kinderkamer achterlieten. En over alle dromen die nooit werkelijkheid mochten worden.
Ik heb in mijn leven inmiddels heel wat zware kisten gedragen.
Maar geen enkele was zo zwaar als dat kleine witte kistje.
En misschien is dat wel de belangrijkste les die dat meisje mij, als jonge uitvaartverzorger van twintig jaar, heeft geleerd.
Niet de lengte van een leven bepaalt hoe groot het gemis is.
Sommige mensen leven honderd jaar en laten prachtige herinneringen achter.
Anderen leven slechts in de buik van hun moeder.
Maar ook zij laten iets achter.
Liefde.
Onvoorwaardelijke liefde.
En die verdwijnt nooit.
Dit verhaal is gebaseerd op een persoonlijke herinnering uit 1994. Om de privacy van de betrokken familie te beschermen, zijn verschillende situaties, gesprekken en details fictief ingevuld. De herinnering aan het kindje en het afscheid is echt.



