Uit de praktijk
De perfecte moord
Hoe twee ogenschijnlijk onschuldige situaties na een overlijden grote gevolgen kunnen hebben.
Ik ben uitvaartverzorger. Geen politieagent, geen rechercheur en al helemaal geen forensisch arts.
Toch kom ik in mijn werk situaties tegen waarbij bij mij onmiddellijk alle alarmbellen afgaan.
Niet omdat ik iemand verdenk van een misdrijf, maar omdat er na een overlijden regels gelden die er niet voor niets zijn.
Regels die ervoor moeten zorgen dat iemand daadwerkelijk een natuurlijke dood is gestorven.
En dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het niet altijd.
Want stel je eens voor.
Iemand overlijdt thuis. De familie belt een bekende arts. Die komt langs, constateert dat de persoon overleden is en vult de benodigde papieren in.
Iedereen tevreden.
Of iemand overlijdt ’s nachts in een zorginstelling. Het overlijden was verwacht. De verpleegkundige verzorgt de overledene alvast, trekt haar de mooiste kleding aan en legt haar netjes in bed. De arts komt de volgende ochtend wel.
Ook niets bijzonders, zou je denken.
Maar juist bij dit soort situaties stel ik mezelf soms de vraag:
Hoe weten we eigenlijk zeker dat iemand een natuurlijke dood is gestorven?
1. De neef die huisarts was
Mijn collega kwam op een ochtend het kantoor binnen.
“Anne Wieb, ik heb de artsverklaringen al bij me.”
Dat was mooi, dacht ik. Dan konden we de aangifte van overlijden bij de gemeente gaan regelen.
“De neef van de overledene is huisarts”, vervolgde mijn collega. “Die heeft zelf de schouw gedaan. Wel zo gemakkelijk voor de familie.”
Ik keek hem aan.
“Wacht eens even. De neef?”
“Ja, haar neef. Hij is huisarts.”
Bij mij gingen onmiddellijk alle alarmbellen af.
Niet omdat ik deze huisarts kende. Niet omdat ik vermoedde dat er iets mis was met het overlijden.
Maar omdat een arts die een persoonlijke familieband heeft met de overledene niet zomaar als onafhankelijke schouwarts kan optreden.
Een schouw is namelijk meer dan vaststellen dat iemand niet meer ademt en geen hartslag heeft.
De arts moet beoordelen of hij ervan overtuigd is dat sprake is van een natuurlijke dood.
En daarvoor moet hij onbevooroordeeld kunnen handelen.
Een familieband kan die onafhankelijkheid in gevaar brengen.
Ik vroeg mijn collega daarom of hij zeker wist dat het om een familielid ging en of de betreffende arts daadwerkelijk zelf de officiële lijkschouw had uitgevoerd.
Dat bleek inderdaad zo te zijn.
“Maar hij is toch gewoon dokter?”, zei mijn collega.
“Dat klopt”, antwoordde ik. “Maar juist daarom moet hij weten hoe belangrijk een onafhankelijke beoordeling is.”
Ik wilde eerst duidelijkheid voordat we verdergingen met de administratieve afhandeling.
Want stel nu eens dat deze mevrouw een aanzienlijk vermogen had nagelaten.
Of dat er binnen de familie een conflict speelde.
Of dat iemand belang had bij haar overlijden.
Dan wil je toch niet dat de persoon die het overlijden officieel beoordeelt tegelijkertijd iemand is die persoonlijk bij de familie betrokken is?
Natuurlijk betekent dit niet dat die neef iets verkeerds heeft gedaan met kwade bedoelingen.
Waarschijnlijk wilde hij alleen maar behulpzaam zijn.
Maar goede bedoelingen zijn niet hetzelfde als zorgvuldig handelen.
De regels rond de lijkschouw zijn er niet om families lastig te vallen. Ze zijn er juist om de overledene te beschermen.
2. De verpleegkundige die alvast begon
Een andere situatie.
Midden in de nacht kwam er een melding van overlijden binnen vanuit een zorginstelling.
De verpleegkundige belde namens de nabestaanden. Die waren op dat moment niet aanwezig.
Het ging om een oudere mevrouw die al langere tijd ziek was.
Het overlijden was verwacht.
“De arts komt morgenochtend”, vertelde de verpleegkundige. “Maar we hebben mevrouw inmiddels al verzorgd en de kleding aangetrokken die de familie had klaargelegd.”
Ik vroeg of de arts al was geweest.
“Nee, die komt morgen. Het is een verwacht overlijden.”
En opnieuw gingen bij mij alle alarmbellen af.
Want verwacht overlijden betekent niet automatisch dat er sprake is van een natuurlijke dood.
Dat iemand ernstig ziek is, wil nog niet zeggen dat er geen andere doodsoorzaak mogelijk is.
En dat iemand waarschijnlijk binnenkort zou overlijden, betekent niet dat je de wettelijke beoordeling zomaar kunt overslaan.
De verpleegkundige had ongetwijfeld met de beste bedoelingen gehandeld.
Mevrouw was netjes gewassen, aangekleed en verzorgd.
Precies zoals de familie het graag wilde.
Maar daarmee was ook de oorspronkelijke situatie veranderd.
Kleding was uitgetrokken.
Het lichaam was gewassen.
Mogelijke sporen konden verdwenen zijn.
En de arts die de volgende ochtend zou komen, kreeg niet meer precies dezelfde situatie te zien als direct na het overlijden.
Dat hoeft bij een natuurlijk overlijden geen enkel probleem op te leveren.
Maar wat als het géén natuurlijk overlijden was?
Wat als er sprake was geweest van een val, een fout met medicatie, geweld of een andere omstandigheid die nader onderzoek noodzakelijk maakte?
Dan kan die goedbedoelde verzorging belangrijke informatie verloren laten gaan.
Ik vroeg de verpleegkundige daarom of er contact was geweest met de dienstdoende arts en of die toestemming had gegeven om de verzorging alvast uit te voeren.
Want ook wanneer een overlijden wordt verwacht, moet zorgvuldig worden omgegaan met de situatie totdat de benodigde medische beoordeling heeft plaatsgevonden.
En juist daar wringt het soms in de dagelijkse praktijk.
Het is nacht.
Er is weinig personeel.
De familie wil graag dat moeder er netjes bij ligt.
Iedereen wil het goed doen.
Maar haast, routine en goede bedoelingen kunnen ervoor zorgen dat belangrijke waarborgen uit het oog worden verloren.
De perfecte moord bestaat misschien niet, maar de perfecte vergissing wel
Ik gebruik bewust de prikkelende titel De perfecte moord.
Niet omdat ik denk dat achter ieder overlijden een misdrijf schuilgaat.
Integendeel.
Het overgrote deel van de overlijdens waarmee wij te maken krijgen, heeft een volkomen natuurlijke oorzaak.
Maar stel dat iemand kwaad in de zin heeft.
En stel dat vervolgens iedereen automatisch aanneemt dat sprake is van een natuurlijk overlijden.
De familie omdat het overlijden werd verwacht.
De verpleegkundige omdat iemand ernstig ziek was.
De arts omdat er een bekende medische voorgeschiedenis is.
En de uitvaartverzorger omdat de benodigde formulieren al klaarliggen.
Dan kan een keten van aannames ontstaan waarin niemand meer de kritische vraag stelt.
Weten we zeker dat dit een natuurlijke dood is, of nemen we dat alleen maar aan?
Daarom zijn de lijkschouw, de onafhankelijkheid van de arts en de zorgvuldige omgang met het lichaam zo belangrijk.
Niet omdat iedereen verdacht is.
Maar omdat ook een overleden persoon recht heeft op een zorgvuldige beoordeling.
Wat zegt de wet eigenlijk?
In Nederland bepaalt de Wet op de lijkbezorging dat een lijkschouw zo spoedig mogelijk na het overlijden moet plaatsvinden.
Er staat geen algemeen vast aantal minuten of uren in de wet waarbinnen de arts aanwezig moet zijn.
Dat betekent echter niet dat de schouw onbeperkt kan worden uitgesteld.
Een behandelend arts mag alleen een verklaring van natuurlijk overlijden afgeven wanneer hij ervan overtuigd is dat sprake is van een natuurlijke dood.
Bij twijfel moet de gemeentelijk lijkschouwer worden ingeschakeld.
En zolang er onduidelijkheid bestaat over de doodsoorzaak, moet zorgvuldig worden voorkomen dat mogelijke aanwijzingen verloren gaan.
Voor mij is dat geen bureaucratische formaliteit.
Het is een wezenlijk onderdeel van respectvol omgaan met een overledene.
Want waardigheid houdt niet op bij de laatste ademhaling.
En wat doet de uitvaartverzorger?
Wij stellen geen medische doodsoorzaak vast.
Dat is onze taak niet.
Wij zijn ook niet bevoegd om een lijkschouw over te doen of een medische verklaring zelfstandig ongeldig te verklaren.
Maar we mogen wel vragen stellen.
Sterker nog, ik vind dat we dat soms moeten doen.
Wie heeft de schouw verricht?
Was de arts onafhankelijk?
Is het lichaam al verzorgd voordat de arts aanwezig was?
Zijn er bijzonderheden rondom het overlijden?
En zijn de benodigde verklaringen op de juiste wijze afgegeven?
Als iets niet klopt, wil ik dat uitgezocht hebben.
Niet om iemand te beschuldigen.
Niet om het werk van een verpleegkundige of arts ter discussie te stellen.
Maar omdat zorgvuldigheid belangrijker is dan gemak.
Ik heb liever dat iemand mij een lastige uitvaartverzorger vindt, dan dat ik achteraf moet constateren dat ik iets heb laten passeren terwijl ik mijn twijfels had.
Ook na de dood verdient iemand bescherming
Een overlijden brengt verdriet, verwarring en vaak ook haast met zich mee.
De familie wil afscheid nemen.
De zorginstelling wil de kamer weer beschikbaar maken.
De arts heeft nog meer patiënten.
En de uitvaartverzorger moet allerlei zaken regelen.
Dat begrijp ik allemaal.
Maar tussen al die belangen ligt iemand die zelf niets meer kan zeggen.
Iemand die niet meer kan vertellen wat er is gebeurd.
Die geen vragen meer kan beantwoorden.
En die volledig afhankelijk is van de zorgvuldigheid van anderen.
Daarom vind ik dat we bij een overlijden niet alleen moeten kijken naar wat praktisch is, maar ook naar wat verantwoord is.
Want de perfecte moord?
Misschien bestaat die helemaal niet.
Maar als niemand meer vragen stelt, wordt het wel een stuk gemakkelijker om iets over het hoofd te zien.
En juist daarom blijf ik ze stellen.
Ook als dat soms ongemakkelijk is.
Ook als iedereen zegt dat het allemaal wel goed zit.
Want iemand die is overleden, verdient niet alleen een waardig afscheid.
Die verdient ook dat we zeker weten dat alles rondom het overlijden zorgvuldig is verlopen.



