Uit de praktijk
De stoel die niemand mocht verplaatsen
Een bijzonder verhaal uit de uitvaartpraktijk van RustZacht.
Soms kom je bij mensen thuis en weet je binnen vijf minuten dat dit geen gewone uitvaart gaat worden.
Zo ook op een dinsdagochtend in Amsterdam.
Ik werd gebeld door een mevrouw van 82 jaar. Haar man was die nacht overleden. Hij was 86 geworden en ze waren maar liefst 61 jaar getrouwd geweest.
Aan de telefoon klonk ze opvallend rustig.
“Kom je straks even langs? Maar niet te vroeg hoor, want ik moet eerst nog even boodschappen doen.”
Ik moest er een beetje om lachen. Haar man was nog maar een paar uur overleden en mevrouw ging eerst boodschappen doen.
Maar goed, iedereen gaat op zijn eigen manier met verdriet om.
Om elf uur zat ik bij haar aan de keukentafel.
Een ouderwetse Amsterdamse woning. Overal foto’s van kinderen en kleinkinderen, een klok die behoorlijk hard tikte en op tafel twee kopjes koffie.
En daar stond hij.
Een grote, versleten bruine leren fauteuil. Vlak naast het raam.
“Daar zat hij altijd”, vertelde mevrouw.
“Vanaf het moment dat hij met pensioen ging. Iedere ochtend om half negen, met zijn krant en zijn koffie. En als ik iets tegen hem zei, hoorde hij me zogenaamd niet.”
Ze glimlachte.
“Maar als ik in de keuken een koekje uit de trommel pakte, hoorde hij dat wel.”
We moesten allebei lachen.
We bespraken de uitvaart. Geen grote plechtigheid, geen dure kist en vooral geen gedoe.
“Hij hield niet van poeha, Anne Wieb. En ik trouwens ook niet.”
Dat kwam goed uit. Bij RustZacht zijn we daar ook niet zo van.
Toen ik vroeg of ze haar man thuis wilde laten opbaren, keek ze naar de fauteuil.
“Kan hij niet gewoon daar blijven zitten?”
Ik legde haar uit dat een opbaring in een stoel soms mogelijk is, maar dat we eerst zorgvuldig moesten bekijken of dit in zijn situatie verantwoord en uitvoerbaar was.
Ze dacht even na.
“Nee, doe maar gewoon in zijn bed. Daar lag hij vannacht ook. Maar die stoel blijft staan.”
Dat beloofde ik haar.
De dagen daarna kwamen de kinderen, kleinkinderen, buren en oude vrienden afscheid nemen.
En iedereen die binnenkwam, keek automatisch naar die lege stoel.
De oudste zoon vertelde dat hij daar vroeger nooit in mocht zitten.
Een kleindochter vertelde dat opa haar stiekem geld toestopte als oma niet keek.
En een buurman vertelde dat ze jarenlang vanuit die twee stoelen naar buiten zaten te kijken en commentaar leverden op alles wat er in de straat gebeurde.
Die versleten fauteuil bleek eigenlijk een soort familiearchief.
Op de ochtend van de crematie kwam ik haar ophalen.
Ze had haar mooiste jas aangetrokken en stond al klaar in de gang.
Maar voordat we vertrokken, liep ze nog één keer naar de woonkamer.
Ze legde haar hand op de rugleuning van de stoel.
“Nou ouwe, daar gaan we dan.”
Even was het stil.
En toen zei ze:
“En maak je geen zorgen. Ik ga niet op jouw stoel zitten.”
Tijdens de plechtigheid vertelde haar zoon over die stoel.
Niet over zijn vaders werk, zijn prestaties of alle dingen die hij in zijn leven had bereikt.
Maar over die ene plek in de woonkamer.
Waar zijn vader altijd zat.
Waar hij mopperde op het journaal, zijn kleinkinderen verwende en soms urenlang niets zei.
Na de crematie bracht ik mevrouw weer thuis.
Bij de voordeur vroeg ze of ik nog even binnenkwam.
Ze liep naar de woonkamer, pakte de krant van die ochtend en legde hem op de leuning van de fauteuil.
“Dat deed ik iedere ochtend voor hem.”
Ik vroeg haar voorzichtig of dat niet moeilijk was.
“Natuurlijk is dat moeilijk”, zei ze.
“Maar als ik die stoel weghaal, is hij pas echt weg.”
Ik wist eigenlijk niet zo goed wat ik daarop moest antwoorden.
En soms hoeft dat ook niet.
Een paar weken later belde ik haar voor onze gebruikelijke nazorg.
Het ging naar omstandigheden goed.
De kinderen kwamen regelmatig langs en ze had haar dagelijkse bezigheden weer opgepakt.
“En de stoel?”, vroeg ik.
“Die staat er nog.”
Ze begon te lachen.
“Alleen heb ik er gisteren voor het eerst zelf in gezeten. En weet je wat, Anne Wieb?”
“Vertel.”
“Die ouwe had al die jaren de beste plek van het huis!”
We hebben samen hartelijk gelachen.
En ergens vond ik dat misschien wel het mooiste moment van het hele afscheid.
Niet de bloemen. Niet de muziek. Niet de crematie.
Maar een vrouw van 82 die, na 61 jaar huwelijk, voorzichtig een nieuwe plek in haar eigen leven vond.
Een uitvaart gaat niet alleen over afscheid nemen
In mijn werk als uitvaartverzorger merk ik regelmatig dat de kleinste dingen uiteindelijk de grootste betekenis hebben.
Een oude jas aan de kapstok. Een koffiekopje. Een bril op het nachtkastje. Of een versleten fauteuil die niemand mocht verplaatsen.
Het zijn voorwerpen die voor een buitenstaander nauwelijks waarde hebben, maar voor nabestaanden een heel leven vertegenwoordigen.
Bij RustZacht proberen we daarom niet alleen te luisteren naar hoe iemand afscheid wil nemen, maar vooral naar wie iemand was.
Want een persoonlijk afscheid hoeft niet duur of ingewikkeld te zijn.
Soms vertelt één lege stoel meer dan honderd uitgesproken woorden.



