Uit de praktijk
Jouw leven, jouw einde
Een telefoontje om tien over vijf. Een bijzondere man van 76 jaar. En een laatste wens die ik niet snel zal vergeten.
Het was tien over vijf.
Ik had zojuist mijn computer op kantoor afgesloten. Voor de verandering zou ik eens op tijd naar huis gaan. Misschien lekker eten, op de bank zitten en een avondje voetbal kijken.
Maar zoals dat in ons vak wel vaker gaat, liep het anders.
Mijn telefoon ging.
Aan de andere kant van de lijn hoorde ik een mannenstem.
Een bijzonder vlotte mannenstem.
Hij bleek 76 jaar oud te zijn, maar als ik alleen op zijn stem had moeten afgaan, had ik hem hooguit twintig gegeven.
Helder, energiek, duidelijk en vooral recht voor zijn raap.
Geen gedraai, geen lange inleiding.
Hij kwam direct ter zake.
“Ik ga mezelf van het leven beroven. Ik heb er geen zin meer in.”
Een gesprek dat je niet iedere dag voert
Ik ben in mijn werk behoorlijk wat gewend. Ik heb veel meegemaakt en ben niet snel van mijn stuk gebracht.
Maar dit was toch even anders.
Normaal gesproken ben ik bij dit soort gesprekken uiterst terughoudend. Je weet immers niet wat er achter zo’n mededeling schuilgaat.
Deze man sprak opvallend rustig en weloverwogen. Hij vertelde dat hij zijn beslissing had genomen en alles zorgvuldig had voorbereid.
Of hij werkelijk zo zeker van zijn besluit was als hij klonk, kon ik natuurlijk niet beoordelen.
Hij wilde mij deelgenoot maken van zijn plannen.
Heel even schoot er een gedachte door mijn hoofd.
Nou, dat wordt vanavond dus geen voetbal kijken.
Ik wees hem direct op 113 Zelfmoordpreventie. Daar kon hij terecht om met iemand te praten over zijn gedachten aan zelfdoding.
Maar meneer wilde vooral zijn verhaal aan mij kwijt.
Alles lag al klaar
Hij vertelde dat hij medicatie in huis had waarmee hij zijn leven wilde beëindigen.
De inloggegevens van zijn computer en iPhone had hij op een duidelijke plek neergelegd, zodat zijn familie deze gemakkelijk zou kunnen vinden.
Zijn kleding had hij alvast netjes in een koffertje gedaan.
Hij had overal over nagedacht.
Tenminste, dat dacht hij.
Want er was nog één probleem.
Hij woonde in een echte volksbuurt. Zo’n buurt waar iedereen elkaar kent en waar de gordijntjes al bewegen als er een onbekende auto stopt.
En daar had meneer absoluut geen zin in.
“Ik wil geen poppenkast”, zei hij.
Geen nieuwsgierige buren. Geen mensen voor de deur. Geen gedoe.
Hij had daar zelf al een oplossing voor bedacht.
Dan neem ik toch een hotelkamer?
“Ik dacht”, zei hij, “ik huur gewoon een kamer bij Van der Valk. Dan doe ik het daar.”
En vervolgens stelde hij mij de vraag:
“Wat vindt u daarvan?”
Tja.
Daar zat ik dan.
Een man van 76 jaar die mij doodleuk vroeg wat ik van zijn plan vond.
Ik besloot hem uit te leggen wat de gevolgen van zijn idee zouden kunnen zijn.
“Maar meneer, heeft u er weleens over nagedacht wie u daar gaat vinden?”
Het bleef even stil.
“Misschien is dat wel een schoonmaakster die nietsvermoedend uw kamer binnenkomt. Iemand die gewoon haar werk doet en vervolgens iets aantreft wat ze misschien haar hele leven met zich meedraagt.”
Ik vertelde hem dat die medewerker waarschijnlijk haar manager zou waarschuwen. Dat de politie erbij zou komen en dat er mogelijk een forensisch onderzoek zou plaatsvinden.
“Dan krijgt u misschien juist een veel grotere poppenkast dan waar u zo bang voor bent.”
Het was even stil aan de andere kant.
En toen kwam zijn reactie.
“Potjandorie!”
Ik moest bijna glimlachen om de manier waarop hij het zei.
“Zo heb ik het helemaal niet bekeken. Daar heb ik nooit aan gedacht.”
Vooral de gedachte dat hij een onschuldige hotelmedewerker zoiets zou aandoen, raakte hem.
“Nee, dat wil ik absoluut niet.”
En wat moet ik dan?
Vervolgens stelde hij een vraag waar ik niet zomaar een antwoord op kon geven.
“Maar wat moet ik dan?”
Ja, lekker dan.
Nu moest ik hem kennelijk gaan vertellen hoe het dan wél moest.
Maar dat kon ik niet.
En dat wilde ik ook niet.
Ik ben uitvaartverzorger. Ik begeleid mensen en families rondom een overlijden. Ik ben er niet om iemand te vertellen hoe hij zijn leven moet beëindigen.
Ik heb hem daarom dringend geadviseerd contact op te nemen met zijn huisarts.
Om zijn gedachten, zijn situatie en zijn wensen met een arts te bespreken.
Hij luisterde aandachtig.
Bedankte mij vriendelijk voor het gesprek.
En verbrak netjes de verbinding.
Daar zat ik.
Met mijn afgesloten computer.
En een gesprek in mijn hoofd dat nog wel even zou blijven hangen.
Twee weken later
Ongeveer twee weken later ging mijn telefoon opnieuw.
Ditmaal was het een huisarts.
Hij wilde een overlijden melden.
Tijdens het gesprek werd duidelijk om wie het ging.
De man van 76 jaar.
De man met die jonge stem.
De man die geen poppenkast wilde.
Hij had na ons telefoongesprek inderdaad contact opgenomen met zijn huisarts.
Maar het verhaal kreeg een verdrietig vervolg.
Meneer had de huisarts laten weten dat hij op een bepaalde dag bij hem thuis moest langskomen.
En voor het geval hij zelf de deur niet kon opendoen, had hij verteld waar de huissleutel lag.
Onder een steen bij de voordeur.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik even met mijn ogen knipperde toen ik dat hoorde.
Want ook dit had meneer kennelijk helemaal uitgedacht.
De sleutel onder de steen
Op de afgesproken dag verscheen de huisarts bij zijn woning.
Er werd aangebeld.
Geen reactie.
Nogmaals.
Niets.
De huisarts herinnerde zich wat meneer had gezegd.
Hij pakte de sleutel onder de steen vandaan en opende de voordeur.
Binnen trof hij meneer aan.
Hij lag op zijn bed.
Overleden.
Naast hem lagen de inloggegevens van zijn computer en telefoon.
Ook lag er een briefje met mijn telefoonnummer.
En nog een briefje.
Daarop stond een laatste verzoek.
“Haal me hier weg als het donker is. Ik wil geen poppenkast.”
Een laatste wens
Toen ik dat hoorde, moest ik direct terugdenken aan ons telefoongesprek.
Aan zijn jonge stem.
Zijn heldere manier van praten.
Zijn uitgesproken mening.
En vooral aan die ene zin die hij steeds herhaalde.
“Ik wil geen poppenkast.”
Zelfs in zijn laatste boodschap was hij zichzelf gebleven.
Een man die graag de regie hield. Die zijn omgeving niet wilde belasten. Die geen nieuwsgierige blikken wilde en die kennelijk het liefst in alle stilte afscheid nam.
Maar tegelijkertijd bleef bij mij ook een andere gedachte hangen.
Hoe eenzaam moet iemand zich voelen om zijn leven op deze manier te willen beëindigen?
En hoeveel gaat er eigenlijk schuil achter een opgewekte stem en een vlotte manier van praten?
Want iemand kan nog zo helder, vrolijk of vastberaden klinken. Dat betekent niet dat je weet wat er werkelijk in hem omgaat.
Jouw leven, jouw einde?
De titel van dit verhaal is bewust gekozen.
Jouw leven, jouw einde.
Maar is het werkelijk zo eenvoudig?
Mag je helemaal zelf bepalen hoe je leven eindigt? En wat betekent zo’n beslissing voor de mensen die achterblijven?
Het zijn vragen waarop ik geen pasklaar antwoord heb.
Wat ik wel weet, is dat ieder mens een eigen verhaal heeft. Een eigen verleden, eigen zorgen, eigen overtuigingen en soms een verdriet dat voor anderen nauwelijks zichtbaar is.
Als uitvaartverzorger oordeel ik niet over het leven dat iemand heeft geleid.
En ook niet over de omstandigheden waaronder iemand is overleden.
Mijn taak begint waar een leven eindigt.
Met respect, waardigheid en aandacht voor de mensen die achterblijven.
Maar dat telefoongesprek om tien over vijf heeft mij wel iets geleerd.
Luister naar mensen. Ook als ze iets vertellen wat je liever niet wilt horen.
Want soms kan één gesprek ervoor zorgen dat iemand anders naar zijn plannen kijkt.
En soms blijft er, ondanks dat gesprek, alleen een briefje achter.
Met een telefoonnummer.
En een laatste wens.
“Ik wil geen poppenkast.”
Die woorden zal ik niet snel vergeten.
Naschrift: Dit verhaal beschrijft een ingrijpende ervaring uit mijn werk als uitvaartverzorger. Gedachten aan zelfdoding verdienen altijd serieuze aandacht. Heb je zelf zulke gedachten, of maak je je zorgen om iemand anders? Praat erover met je huisarts of neem contact op met 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of www.113.nl. Bij direct gevaar bel je 112.
Denk je aan zelfdoding?Bel dan 113


