RUSTZACHT.NLUitvaartverzorgingBel 085-400 11 2224/7 bereikbaar
lachende mannen aan een tafel met een eend met op de achtergrond een uitvaartkist die weggedragen wordt door dragers

Uit de praktijk

De drager die werd gedragen

8 min lezen

Een herinnering uit de jaren tachtig, toen de koffie altijd klaarstond en de verhalen soms mooier waren dan de werkelijkheid.

Opgroeien tussen leven en dood

Sommige kinderen groeien op boven een bakkerij. Andere kinderen boven een café. Ik groeide op boven een uitvaartcentrum.

En geloof me, dat was eigenlijk minstens zo gezellig.

We schrijven begin jaren tachtig. Midden in het historische centrum van Leeuwarden, aan de Grote Kerkstraat 7, stond het statige Heer Ivo Huis. Een prachtig oud pand waarin uitvaartvereniging De Laatste Eer Leeuwarden haar uitvaartcentrum had gevestigd.

Mijn vader, Wieb Wijnsma, was daar de uitvaartondernemer. Mijn moeder zorgde, samen met mijn tante, voor alles wat zich achter de schermen afspeelde.

Wij woonden boven het uitvaartcentrum. Voor mij was het dus de normaalste zaak van de wereld dat er beneden overledenen lagen opgebaard, terwijl wij boven gewoon televisie keken, huiswerk maakten of aan tafel zaten.

De dood hoorde bij ons dagelijks leven. Maar het leven misschien nog wel meer.

Van aula naar koffiekamer in één uur

Het Heer Ivo Huis beschikte over een multifunctionele ruimte. Een prachtig woord voor iets wat in de praktijk betekende dat mijn moeder en tante zich regelmatig drie slagen in de rondte werkten.

Overdag was de ruimte een aula. Hier namen families afscheid van hun dierbare. Na de plechtigheid vertrok het gezelschap naar de begraafplaats.

En dan begon beneden de grote verbouwing.

Stoelen aan de kant, tafels verschuiven, kopjes klaarzetten, koffie zetten en zorgen dat alles er weer keurig uitzag.

Mijn moeder en tante hadden ongeveer een uur de tijd om de aula om te toveren tot een gezellige koffiekamer.

Rond vier uur kwamen de families meestal terug van de begraafplaats. Dan moest alles klaarstaan.

En dat stond het ook.

Want mijn moeder en tante waren misschien geen gediplomeerde interieurarchitecten, maar een aula ombouwen tot koffiekamer? Daar hadden ze inmiddels een universitaire graad in kunnen halen.

De keuken was het gezelligste vertrek

Ook de dragers kwamen na de begrafenis vaak terug naar het uitvaartcentrum.

Dat waren mannen die tijdens de plechtigheid keurig in het zwart gekleed waren, met ernstige gezichten en een houding alsof ze persoonlijk verantwoordelijk waren voor de waardigheid van de hele uitvaart.

Maar zodra ze na afloop in de keuken zaten met een kop koffie, veranderde de sfeer.

Dan kwamen de verhalen.

Ik was een jaar of zestien en kwam aan het einde van de middag uit school. Regelmatig schoof ik even aan in die keuken.

Niet omdat ik zo’n enorme koffieliefhebber was. Sterker nog, ik weet niet eens meer wat ik toen dronk.

Maar die mannen konden vertellen!

Over vroeger, over bijzondere uitvaarten, over Leeuwarden, over mensen die iedereen kende en natuurlijk over mijn vader.

Het was een wereld op zichzelf.

Een wereld zonder mobiele telefoons, zonder sociale media en zonder haast. Gewoon een tafel, een paar stoelen, koffie en sterke verhalen.

En één man wist die verhalen als geen ander te vertellen.

Meneer Jongsma

Meneer Jongsma.

Ik zie hem nog zo voor me.

Een lange, slanke man, een kalend hoofd en een bril die eigenlijk een maatje te groot was voor zijn gezicht.

Maar ja, het waren de jaren tachtig. Toen waren brillen ongeveer even groot als de voorruit van een Volkswagen Golf.

Meneer Jongsma was een van de vaste dragers van De Laatste Eer. Maar hij was veel meer dan dat.

Hij was een beetje de rechterhand van mijn vader. Hij hielp met allerlei klusjes, hand-en-spandiensten en alles wat er binnen het uitvaartcentrum moest gebeuren.

En bovenal was hij een meesterverteller.

Wanneer meneer Jongsma begon te praten, werd het vanzelf stil.

Niet omdat hij zo hard sprak, maar omdat iedereen wilde horen wat er nu weer zou komen.

Hij kon prachtig imiteren. Vooral mijn vader moest het regelmatig ontgelden. Zijn manier van praten, zijn gebaren, zijn typische uitspraken: meneer Jongsma had ze feilloos onder de knie.

Mijn vader kon er zelf gelukkig ook hartelijk om lachen.

En dan had meneer Jongsma nog zijn beroemde imitatie van een dominee.

Met een plechtige stem, alsof hij vanaf de kansel de hele gemeente toesprak, sprak hij dan:

“Geachte gemeente, ik zeg niet dat u dieven zijt, maar toch ben ik één van mijn dikke eenden kwijt!”

Vervolgens keek hij bloedserieus de keuken rond.

En iedereen lag dubbel.

Nu ik dit opschrijf, ruim veertig jaar later, denk ik: je moest er waarschijnlijk bij zijn geweest.

Maar voor een veertienjarige jongen was het geweldig.

Meneer Jongsma was onze eigen cabaretier. En de toegang was gratis, zolang je maar in de keuken kwam zitten.

Het telefoontje

Op een dag ging de telefoon.

Mijn vader nam op.

Aan de andere kant van de lijn was de echtgenote van meneer Jongsma.

Haar man was die ochtend overleden.

Plotseling was de man die zoveel verhalen had verteld, zelf het onderwerp geworden van een heel verdrietig verhaal.

Mijn vader vertrok vrijwel direct naar de familie.

Niet alleen als uitvaartondernemer, maar vooral ook als iemand die meneer Jongsma jarenlang had gekend en met hem had samengewerkt.

Samen met zijn echtgenote en de familie besprak hij de uitvaart.

En eigenlijk was het vanzelfsprekend waar die zou plaatsvinden.

In het Heer Ivo Huis.

De plek waar meneer Jongsma zo vaak had gewerkt, geholpen, gelachen en koffiegedronken.

De plek waar hij zoveel anderen had begeleid op hun laatste reis.

De drager werd gedragen

Op de dag van de uitvaart was alles zoals het hoorde.

De aula was ingericht. De familie en belangstellenden namen plaats. Mijn vader begeleidde de plechtigheid.

En daar stonden ze.

De dragers.

Zijn eigen collega’s. De mannen met wie hij jarenlang had samengewerkt. De mannen met wie hij na afloop in de keuken had gezeten.

Alleen ontbrak er deze keer één.

Meneer Jongsma.

Hij lag in de kist die zijn collega’s straks zouden dragen.

Ik kan me voorstellen dat die mannen die dag nog net iets rechter liepen dan anders. Dat de handen nog net iets steviger om de handgrepen sloten.

Want dit was niet zomaar een uitvaart.

Dit was hun eigen kameraad.

De man die altijd voor een grap zorgde, werd nu in alle stilte door zijn vrienden naar zijn laatste rustplaats gedragen.

De drager werd gedragen.

En soms zegt zo’n eenvoudige zin meer dan een hele toespraak.

Eén stoel bleef leeg

Na de begrafenis keerde het gezelschap terug naar het Heer Ivo Huis.

Mijn moeder en tante hadden ondertussen, zoals altijd, de aula weer omgebouwd tot koffiekamer.

De koffie stond klaar. De kopjes waren gevuld. De koekjes lagen op de schaaltjes.

Alles was precies zoals het altijd was geweest.

En toch was alles anders.

Ook de dragers kwamen terug.

Ze liepen de keuken binnen en namen plaats aan de vertrouwde tafel.

Ik weet niet meer precies wat er die middag allemaal werd gezegd.

Maar ik weet nog wel dat het anders voelde.

De grote verhalenverteller was er niet.

Geen imitatie van mijn vader.

Geen dominee met verdwenen eenden.

Geen lange, magere man met die veel te grote bril die de hele keuken aan het lachen kreeg.

Er ontbrak iemand.

En dat voelde je.

De laatste grap van meneer Jongsma

Als ik nu, zoveel jaren later, terugdenk aan die middag, zie ik het bijna weer voor me.

De keuken van het Heer Ivo Huis. Mijn moeder en tante. De mannen in hun zwarte pakken. Mijn vader die waarschijnlijk nog even binnenkwam om te kijken of alles goed verliep.

En ergens in mijn gedachten zit meneer Jongsma nog altijd aan die tafel.

Met zijn grote bril, zijn ondeugende blik en alweer een nieuw verhaal.

Ik denk dat hij het prachtig had gevonden dat juist zijn eigen collega’s hem naar zijn laatste rustplaats hadden gebracht.

Sterker nog, als hij die middag nog één keer het woord had kunnen nemen, had hij waarschijnlijk met een bloedserieus gezicht gezegd:

“Nou heren, ik heb jullie jarenlang geholpen met dragen. Vandaag mochten jullie het eindelijk eens zonder mij proberen.”

En na een korte stilte:

“Maar ik moet zeggen, ik had onderweg toch het idee dat we een beetje scheef gingen!”

Ik weet bijna zeker dat de hele keuken dan weer in lachen was uitgebarsten.

Inclusief mijn vader.

Misschien zelfs wel mijn moeder en tante, terwijl ze de volgende pot koffie zetten.

Wat blijft, zijn de verhalen

Inmiddels zijn we ruim veertig jaar verder.

Het uitvaartcentrum uit mijn jeugd bestaat niet meer in de vorm zoals ik het heb gekend. De wereld van de uitvaartzorg is veranderd. De zwarte pakken, de vaste dragers, de koffiedames en de lange middagen in de keuken zijn grotendeels verdwenen.

Maar sommige herinneringen blijven.

Niet omdat er iets groots gebeurde.

Juist omdat het zo gewoon was.

Een kop koffie. Een tafel vol mannen. Een jongen van veertien die stilletjes zat te luisteren. En een meneer Jongsma die iedereen aan het lachen maakte.

Ik ben inmiddels zelf al vele jaren uitvaartondernemer. En misschien heb ik juist in die keuken wel meer over het vak geleerd dan ik toen besefte.

Dat een uitvaart niet alleen draait om verdriet en afscheid.

Maar vooral om mensen.

Om hun verhalen, hun eigenaardigheden, hun humor en de herinneringen die ze achterlaten.

En dat je iemand soms het mooiste kunt herdenken door gewoon nog eens hartelijk om hem te lachen.

Meneer Jongsma droeg tijdens zijn leven heel wat mensen naar hun laatste rustplaats. Op zijn laatste reis werd hij zelf gedragen.

Maar zijn verhalen?

Die draag ik, ruim veertig jaar later, nog altijd met me mee.

En die dikke eend van de dominee?

Die is volgens mij nooit meer teruggevonden.


Anne Wieb Wijnsma

Uitvaartverzorger, derde generatie RustZacht Uitvaartverzorging

Sommige verhalen verdienen het om doorverteld te worden. Zelfs als de verteller er niet meer is.

Terug naar alle blogs

Lees ook