RUSTZACHT.NLUitvaartverzorgingBel 085-400 11 2224/7 bereikbaar
Een oude, vuile voetbal met een metalen scheidsrechtersfluitje aan een zwart koord op de witte lijn van een grasveld. Achter het veld een doel, de ondergaande zon achter de bomen en een verlichte kantine.

Uit de praktijk

Het eindsignaal

10 min lezen

Een leven lang langs de lijn. Een laatste afscheid tussen de mensen van zijn club.

Sommige mensen zijn lid van een voetbalvereniging. Anderen zijn de voetbalvereniging.

Hij was 82 jaar geworden. Een respectabele leeftijd, zou je zeggen. Maar voor de mensen die hem kenden, was 82 jaar nog lang niet genoeg. Want sommige mensen lijken er altijd te zijn. Op zaterdag langs het veld, op zondag in de kantine en doordeweeks druk met alles wat er binnen een vereniging geregeld moet worden.

Hij was zo iemand.

Toen ik de melding van overlijden ontving, vertelde zijn zoon mij dat zijn vader rustig was overleden, in het bijzijn van zijn echtgenote, zoon en dochter. De mensen die hem het meest dierbaar waren, zaten om hem heen toen hij zijn laatste adem uitblies.

Zijn laatste wedstrijd was gespeeld.

En ditmaal zou er geen verlenging komen.

Een leven in het teken van voetbal

Een dag later zat ik bij de familie aan de keukentafel. Al snel ging het gesprek niet alleen over het afscheid, maar vooral over voetbal.

Over hun voetbalvereniging, ergens in een Nederlands dorp. De naam laat ik uit privacyoverwegingen achterwege. Maar ik kan u verzekeren dat het zo’n vereniging was waar iedereen elkaar kende. Waar de koffie soms sterker was dan het eerste elftal en waar de vrijwilligers belangrijker waren dan welke sponsor dan ook.

Meneer was er tientallen jaren bij betrokken geweest.

Ooit begon hij als jeugdtrainer. Eerst van een groepje jongens dat nauwelijks wist welke kant ze op moest voetballen. Later van verschillende jeugdelftallen, waaronder de teams waarin zijn eigen zoon en dochter speelden.

Want ook zijn dochter had er gevoetbald. En daar was hij minstens zo trots op geweest als op zijn zoon.

Maar bij een kleine vereniging bleef het natuurlijk niet bij trainen.

Als er geen scheidsrechter was, floot hij de wedstrijd. Als er iemand nodig was om de lijnen te trekken, deed hij dat. Was de voorzitter verhinderd, dan nam hij diens taken waar. En uiteindelijk werd hij zelf voorzitter.

Trainer, scheidsrechter, bestuurder, vrijwilliger en soms zelfs degene die na afloop de kleedkamers controleerde.

Hij deed het allemaal.

Niet omdat hij graag op de voorgrond stond, maar omdat hij vond dat een vereniging alleen kon bestaan wanneer mensen bereid waren iets voor elkaar te doen.

En nu, zoveel jaren later, speelden zijn drie kleinzonen nog altijd bij diezelfde club.

Drie jongens die op zaterdag over dezelfde velden renden waar hun opa vroeger training had gegeven.

En natuurlijk stond opa daar.

Tot het lichamelijk niet meer ging.

De man met de fluit

Zijn dochter vertelde mij iets wat ik bijzonder mooi vond.

“Papa had altijd een fluitje in zijn jaszak. Zelfs wanneer hij helemaal niet hoefde te fluiten.”

Zijn zoon begon te lachen.

“En hij floot ook thuis. Als wij vroeger ruzie maakten, floot hij gewoon op dat ding. Dan riep hij: jongens, einde wedstrijd!”

Zijn echtgenote glimlachte.

“Dat fluitje heb ik jarenlang vervloekt.”

Er werd gelachen aan tafel.

En even later werd er gehuild.

Want juist die kleine herinneringen maken het gemis zo groot. Niet de bijzondere prestaties of de gewonnen kampioenschappen, maar de gewone dingen die opeens nooit meer terugkomen.

Het geluid van zijn stem langs de lijn.

Zijn vaste plaats in de kantine.

Zijn opmerkingen over de scheidsrechter, terwijl hij zelf jarenlang had gefloten.

En dat oude fluitje.

Een bloemstuk van de vijand

Tijdens ons gesprek kwam ook de rivaliteit met de voetbalvereniging uit het naastgelegen dorp ter sprake.

U kent dat misschien wel.

Twee dorpen, twee verenigingen en een onderlinge strijd die al generaties meegaat.

Wanneer die twee clubs tegen elkaar speelden, was het dorp wekenlang in rep en roer.

Er werd geplaagd, gediscussieerd en soms behoorlijk stevig gemopperd.

Meneer had jarenlang geroepen dat hij liever zijn voetbalschoenen zou opeten dan ooit voor die andere club te juichen.

Maar achter die rivaliteit zat ook wederzijds respect.

Want wie tientallen jaren actief is in het amateurvoetbal, leert dat je elkaar op het veld misschien bestrijdt, maar daarbuiten vaak dezelfde liefde voor de sport deelt.

Twee dagen voor de uitvaart werd er een bijzonder bloemstuk bezorgd.

Het kwam van die andere vereniging.

De zogenaamde aartsrivaal.

Een prachtig bloemstuk, uitgevoerd in de clubkleuren van de tegenstander.

Aan het lint hing een korte tekst:

“Vandaag zijn we geen tegenstanders. Bedankt voor alles, sportvriend.”

Zijn zoon vertelde mij dat zijn vader zich waarschijnlijk zou hebben omgedraaid als hij had geweten dat die kleuren naast zijn uitvaartkist zouden staan.

“Maar stiekem zou hij het prachtig hebben gevonden”, zei hij.

En daarom kreeg dat bloemstuk een ereplaats.

Direct naast de kist.

Een gewone crematie, een bijzonder afscheid

De familie had geen behoefte aan een grootse of ingewikkelde plechtigheid.

Het afscheid zou plaatsvinden in een crematorium. Een warme, persoonlijke bijeenkomst met familie, vrienden, buren en natuurlijk veel mensen van de voetbalvereniging.

Maar toen ik op de dag van de uitvaart bij het crematorium aankwam, zag ik al snel dat meneer voor veel meer mensen iets had betekend dan alleen voor zijn familie.

Er stonden oud-spelers.

Mannen die inmiddels zelf opa waren, maar die als kleine jongens ooit van hem training hadden gekregen.

Er waren oud-bestuursleden, scheidsrechters en vrijwilligers.

En er waren jonge voetballertjes.

Sommigen droegen hun clubtrainingsjack.

Zijn drie kleinzonen stonden bij hun moeder en vader. Ze waren zichtbaar verdrietig, maar ook trots.

Voor in de aula stond de kist.

Daarop lag een bloemstuk in de kleuren van zijn eigen vereniging. Daarnaast zijn oude voetbalschoenen, een vergeelde elftalfoto en natuurlijk zijn scheidsrechtersfluitje.

Aan de andere kant stond het bloemstuk van de rivaliserende vereniging.

Twee clubs die elkaar op het veld jarenlang het leven zuur hadden gemaakt, stonden nu symbolisch naast elkaar.

In stilte.

Uit respect voor één man.

De laatste wedstrijd

Tijdens de plechtigheid vertelde zijn zoon over zijn vader.

Over de man die nooit een training oversloeg.

Die soms boos kon worden wanneer iemand zijn afspraken niet nakwam, maar die dezelfde persoon een uur later alweer lachend een kop koffie aanbood.

Over een vader die zelden een wedstrijd van zijn kinderen miste.

En over een opa die op zaterdag het liefst drie wedstrijden achter elkaar bezocht, omdat zijn drie kleinzonen nu eenmaal niet altijd op hetzelfde tijdstip speelden.

Zijn dochter vertelde over de tijd dat zij als meisje ging voetballen.

Niet iedereen vond dat destijds vanzelfsprekend.

Maar haar vader wel.

“Als jij wilt voetballen, dan ga jij voetballen”, had hij gezegd.

En daarmee was de discussie gesloten.

Zijn echtgenote had mij vooraf iets bijzonders verteld.

“Ik ben meer dan vijftig jaar met hem getrouwd geweest, maar eigenlijk ben ik ook vijftig jaar getrouwd geweest met die voetbalclub.”

Ze had het met een glimlach gezegd.

En met liefde.

Want hoeveel zaterdagen had zij niet op hem gewacht? Hoeveel keren was het eten koud geworden omdat er op de vereniging nog iets geregeld moest worden?

Maar ze wist ook dat die vereniging hem gelukkig maakte.

En dat geluk gunde ze hem.

Het eindsignaal

Voor het einde van de plechtigheid hadden we samen met de familie iets afgesproken.

Geen groot spektakel.

Geen ingewikkelde ceremonie.

Gewoon iets kleins, maar met een enorme betekenis.

Toen de laatste woorden waren uitgesproken, liep zijn oudste kleinzoon naar voren.

Hij was zichtbaar zenuwachtig.

In zijn hand hield hij het oude scheidsrechtersfluitje van zijn opa.

Het fluitje dat jarenlang wedstrijden had geopend en beëindigd.

Dat overtredingen had bestraft.

Dat kinderen tot de orde had geroepen.

En dat thuis zelfs weleens was gebruikt om een ruzie tussen broer en zus te beëindigen.

De jongen keek nog één keer naar zijn opa.

Daarna bracht hij het fluitje naar zijn mond.

Eén lange fluittoon klonk door de aula.

Het eindsignaal.

Ik heb in mijn jaren als uitvaartverzorger veel bijzondere momenten meegemaakt.

Maar dit was er zo één waarbij je voelt dat een heel leven in één enkel geluid kan samenkomen.

Er werd gehuild.

Er werd geglimlacht.

En ergens achter in de aula legde een oudere man zijn hand op de schouder van de man naast hem.

Er hoefde niets meer gezegd te worden.

De wedstrijd was voorbij.

De derde helft

Na de crematieplechtigheid vertrokken de genodigden niet naar een ontvangkamer van het crematorium.

De familie had namelijk een andere wens.

De nazit moest plaatsvinden in de kantine van de voetbalvereniging.

Want waar kon men beter herinneringen ophalen aan deze man dan op de plek waar hij zoveel van zijn leven had doorgebracht?

Bij aankomst stonden de deuren van de kantine open.

De koffie was gezet, de broodjes stonden klaar en achter de bar stonden vrijwilligers die hem allemaal persoonlijk hadden gekend.

Aan de muur hingen foto’s van oude elftallen.

Op verschillende foto’s stond hij zelf.

Jong, met donker haar.

Later met grijze slapen.

En uiteindelijk als trotse opa, tussen zijn drie kleinzonen.

Zijn vaste stoel stond nog op zijn gebruikelijke plek.

Niemand had hem weggehaald.

Op de tafel ervoor stond een kleine foto van hem, naast een kop koffie en een bordje met een koekje.

Precies zoals hij het altijd nam.

Er werd die middag veel gelachen.

Verhalen kwamen los die de familie nog nooit had gehoord.

Over wedstrijden die eigenlijk nooit gewonnen hadden mogen worden.

Over een scheidsrechterlijke beslissing waar twintig jaar later nog steeds discussie over bestond.

En over de keer dat hij als voorzitter een vergadering had afgebroken omdat het eerste elftal op televisie moest voetballen.

Zelfs enkele bestuursleden van de rivaliserende vereniging waren aanwezig.

Een van hen hief zijn glas en zei:

“Wij waren het bijna nooit met hem eens. Maar we hadden er graag nog twintig jaar ruzie met hem over gemaakt.”

Dat vond ik misschien wel het mooiste compliment van de middag.

Wat blijft, is zoveel meer dan voetbal

Voordat ik afscheid nam van de familie, sprak ik zijn echtgenote nog even.

Ze keek rond in de kantine.

Naar haar kinderen.

Naar haar drie kleinzonen.

Naar de mensen die allemaal waren gekomen om haar man de laatste eer te bewijzen.

“Ik dacht altijd dat voetbal maar een spelletje was”, zei ze zacht.

“Maar vandaag begrijp ik pas hoeveel mensen hij daarmee heeft verbonden.”

En precies daarin zat de betekenis van zijn leven.

Hij had geen grote prijzen gewonnen.

Geen stadion naar zich laten vernoemen.

Geen carrière in het betaalde voetbal gehad.

Maar hij had generaties kinderen leren voetballen.

Hij had vrijwilligers bij elkaar gebracht, vriendschappen gesloten en een vereniging helpen dragen.

En misschien nog wel belangrijker: hij had zijn liefde voor die club doorgegeven aan zijn kinderen en kleinkinderen.

Drie kleinzonen die ook de komende jaren op zaterdag hun voetbalschoenen aantrekken.

Die over dezelfde velden zullen rennen.

En die bij iedere wedstrijd misschien nog even zullen denken aan die man langs de lijn.

Hun opa.

Want een scheidsrechter kan een wedstrijd beëindigen. Maar niet de herinneringen aan iemand die zoveel voor anderen heeft betekend.

Het eindsignaal had geklonken.

De derde helft was begonnen.

En zijn verhaal?

Dat zal in die kantine nog heel lang worden verteld.

Een afscheid dat past bij iemands leven

Bij RustZacht Uitvaartverzorging geloven wij dat een persoonlijk afscheid niet groots of kostbaar hoeft te zijn om bijzonder te worden.

Soms zit de betekenis in een oude foto, een vertrouwd voorwerp of één enkele fluittoon.

En soms is de mooiste plek om na een uitvaart samen te komen niet een luxe ontvangstruimte, maar gewoon de kantine van de voetbalvereniging waar iemand zich zijn hele leven thuis heeft gevoeld.

U vertrouwt ons iemand toe die u dierbaar is. Dat vertrouwen nemen wij heel persoonlijk.

Een spandoek met een knipoog

Een week na de uitvaart speelde het eerste elftal weer een thuiswedstrijd. Langs het veld hing een groot spandoek met daarop, in enorme letters:

RUST ZACHT

Een wit spandoek met in grote zwarte letters RUST ZACHT en twee getekende voetballen, langs het hek van een amateurveld. Erachter supporters in het zwart onder een overkapping met vlaggetjes, links een zwart-wit geblokte vlag.

Ik moest er toch even om glimlachen toen ik de foto toegestuurd kreeg.

Nee, het was geen sluikreclame voor onze uitvaartonderneming. Al had je dat met een beetje fantasie natuurlijk wel kunnen denken.

Het was een prachtig eerbetoon aan een man die zoveel voor zijn vereniging had betekend.

Zijn zoon vertelde mij lachend: “Mijn vader zou hebben gezegd: mooi spandoek jongens, maar nu nog zorgen dat jullie die drie punten pakken!”

En zo werd er, zelfs na zijn overlijden, nog gelachen om de man die jarenlang langs de lijn had gestaan.

Sommige mensen verlaten het voetbalveld, maar verdwijnen nooit uit de clubgeschiedenis.

En dat spandoek? Dat had wat mij betreft nog heel lang mogen blijven hangen.

Terug naar alle blogs

Lees ook